- links - contact
1953 - 1983
 
'In het vroegste beeld dat ik van mijn moeder heb, kijk ik naar haar van in de kinderwagen waarin ik, zelfs nog op de leeftijd van drie jaar, door haar word rondgereden.

Het kind strekt beide armen uit naar haar. Zij buigt zich naar hem toe en paait hem met getuite lippen die zoete, zinloze woordjes prevelen. Het kind schopt met zijn beentjes en werpt zich naar voren, maar strakgebonden riemen houden hem op zijn plaats. Hij krijst en trekt een pruillip. (...)

De drift waarmee zij daarna toeslaat, doet mij voor lange tijd in de vergetelheid belanden, een wolkachtige zachtheid vergelijkbaar met de malsheid van haar boezem.'
 
Uit: Levenswerk  
 
 
'De kern van het dorp lag bij het stenen bruggetje dat over de bedding van een nu uitgedroogd beekje was geslagen. Twee kinderen, een jongen en een meisje waren er aan het spelen. Toen we bleven staan kijken, liepen ze naar de mannen en de vrouwen aan de overkant die voor de deur van een witgekalkt huis in de schaduw van enkele bomen zaten. Ze beantwoordden onze groet met een wantrouwig knikje. Het gebeurde blijkbaar niet te vaak dat vreemden hun dorp bezochten.
(...)
Op welke manier kon een dorp als dit in vijfendertig jaar veranderen? Had mijn moeder als kind ook stokjes gestoken in de barsten die door het geweld van de zon waren ontstaan op de bodem van de uitgedroogde beekbedding? Was dit hetzelfde bruggetje? Waar was de slagerij van Hússzék Horvath? In een van deze huizen? Waar?

Vanaf die afstand kon ik de leeftijd van de mannen en de vrouwen aan de overkant niet schatten. Misschien waren ze wel ouder dan ze leken. Misschien waren ze als kind iedere morgen op blote voeten dezelfde weg naar school gegaan als mijn moeder en hadden ze in dezelfde klas naast elkaar op de bank gezeten. Kon het zo zijn? Natuurlijk, maar hadden ze daarom ook dezelfde herinneringen?'
 
Uit: Terug naar TörökbÁlint  
 
 
'De geschiedenis van de nedergezeten vrouw en haar beide, staande kinderen.

Sepiakleurig is de foto door ouderdom geworden. Haar aanzien is door kreukjes, krasjes en donkerbruine vlekjes aanzienlijk schade toegebracht. Er zijn dan ook zovele vingers overheen gegleden, in zoveel barre omstandigheden.

Maar in de lente van 1917 verkeert zij nog in smetteloze staat, deze fotografie van de vrouw met haar twee blonde dochtertjes, zo smetteloos als de witte blouse met kanten kraag die door de vrouw gedragen wordt en de zomerse witte jurkjes van beide kleine meisjes. De kinderen staan een weerszijden van de moeder en leggen elk een arm in haar brede schoot, terwijl de moeder haar rechterhand beschuttend over de vuistjes van haar dochters spreidt. De linkerarm van de moeder rust op de linkerarm van het kind dat aan haar linkerzijde staat. Het meisje rechts van haar kan daardoor ongehinderd haar rechterhandje in haar zijde planten, alsof ze zeggen wil: hoe lang wordt mijn geduld nog op de proef gesteld?

Van onder zijn zwarte kap beduidt de fotograaf het trio om te lachen, maar er verschijnt geen glimlach om hun lippen. De kinderen kijken bangelijk, hun moeder staart haar holle, hongerige blik. Drong het niet tot haar door dat deze blik op dat moment voorgoed werd vastgelegd?'

 
Uit: Liefdesverklaringen  
 
 
'Törökbálint 1917 VI 10 Liber treier man! Ick sike deine treie familie, ale gesund. Vasz ik dir auh fon herzen wünche fille herzliche grüzze und 1000 küsse. Lebe vol auf baldige viderszen.

Zij heeft een sierlijk krullend handschrift. Hoe lang heeft het geduurd voor de familiefoto, met op de achterkant de hartekreet van zijn gezin, haar lieve trouwe man bereikte, de gebrekkige orthografie ten spijt waarin ook het adres geschreven stond van het Siberisch kamp waar hij als krijgsgevangene zat opgesloten? Nauwelijks leesbaar nog staat op de achterzijde ook de stempel van de ZENSUR FÜR KRIEGSGEFANGENEN.'

 
Uit: Liefdesverklaringen  
 
 
'En waren we niet allemaal broeders en zusters, tante, tijdens die gruwelijke novemberdagen van 1956?

In haar herinnering staat gegrift: het beeld zoals door jou geschetst, van oprukkende Siberische stoottroepen die, geoefend immers als zij waren in bloedige straatgevechten die zij tijdens de Grote Oorlog zo heldhaftig hadden gevoerd, voorzichtig langs de huisgevels gleden, het geweer of machinepistool in aanslag, op zoek naar de Hongaarse hoerenzonen die het zonder meer waagden het vuur te openen op veteranen van de Glorierijke Oorlog.

Zo ook: het diapositief van de nacht die in familiekring geboekstaafd blijven zou als De Nacht Van De Brandende Maan, waarin János, jullie broer, en samen met hem nog tientallen anderen, voor altijd verdwenen.'
 
Uit: Brief aan Rosa Horvath  
 
 
Het Begin der Boring 21 december 1902

'Met de handen in de heupen, de rechtervoet iets achter de linker en de kin vooruitgestoken, poseert mijn overgrootvader trots naast het bord waarop in krijt deze tekst geschreven staat. Onalledaags, het wordt terecht een foto waard geacht.

Zijn kleding is gedateerd, maar voor de rest is het precies mijn vader die daar staat: dezelfde kleine, geblokte gestalte, die borende gitzwarte blik, een hoed met brede rand naar achteren op het hoofd geschoven. Dag, pa.

Mijn overgrootvader exploiteert al jarenlang een ertswinning. In de beemden rondom wordt op geringe diepte moeraserts uitgegraven. Het minderwaardige ijzergehalte belet niet dat zijn delving tweemaal winstgevend is. De honger van de hoogovens is onstilbaar, en na de extractie van het ijzerzandsteen, dat ondoordringbaar is voor water, verandert het landschap in welig weiland.'

 
Uit: Lijfsbehoud  
 
 
'Deze foto ken ik niet. Hij toont een jongeman in wapenrok. Ik schat hem twintig, of net niet. Op zijn schouders, recht en breed, draagt hij met zwier een wijde legermantel. In zijn rechterhand, ter hoogte van de koppelriem waarvan de gesp - zoals voorgeschreven - de vijfde tuniekknoop onbedekt laat, houdt hij een paar smetteloos witte handschoenen. De linkerhand ligt op de rug. De punt van de muts, die hij op zijn rechteroor draagt, bevindt zich recht boven de rechterhoek van zijn rechteroog. En bengelend aan de puntmuts: een wuft en zeer opvallend kwastje, waardoor de stoere, militaire pose slechts moeizaam kan behouden blijven. De jongeman kijkt onbevangen in de lens. Ondanks de handige inkleuring door de fotograaf is zijn gelaat van zo'n onnatuurlijke blankheid dat hij eerder een pagliaccio van Leoncavallo lijkt dan een stoere krijger uit het vaderlandse landleger. Bloedeloze lippen in een week en rimpelloos gezicht: waar is de aanzet van de groeven die een hard, veeleisend leven zal kerven in zijn vlees?'
 
Uit: Liefdesverklaringen  
 
 
'Hij gaat gekleed in een colbertkostuum met fijn gestreepte pantalon, de mouwen van het vest reiken tot halfweg de handrug. Door deze protserige opschik is hij met zijn postuur verlegen, hij die slechts gewend was aan zijn daagse bakkersplunje. Deze indruk wordt nog verscherpt door zijn te spitse vadermoorder. De hoog uitstekende punten van het halsboord prikken in zijn onderkin, wat hem het hoofd doet heffen. Deze valse trots wordt echter ontmaskerd door zijn oogopslag, waaruit de zelfverzekerdheid verdwenen is.

Zijn vrouw herstelt het evenwicht binnen het paar. Haar blik is soeverein, haar houding zelfbewust. Hoewel fręler dan hij, verdringt haar uitstraling haar uitgedoste echtgenoot volledig naar de achtergrond. Is het kenmerkend voor hun pose dat hij haar aangeboden arm grijpt, in plaats van andersom? Als jongste boerendochter heeft zij een goede partij gedaan met deze pronte bakker. Gepronk met haar voortreffelijke vangst lijkt dan ook haast vanzelfsprekend. Veeleer dan praalzucht echter, drukt dit gebaar haar wens uit om een toeverlaat te zijn voor zijn te wankel zelfvertrouwen. Dat blijkt, meer nog dan door de zwaarte waarmee hij op haar steunt, uit de standvastigheid waarmee ze zijn gewicht verdraagt.

Deze vrouw is niet mijn moeder. Hoe langer ik dit pas ontdekte beeld aanschouw - het enige portret van haar in mijn bezit - hoe groter mijn verlangen wordt dat zij het wel zou zijn.'
 
Uit: Lijfsbehoud  
 
 
'KWALITEIT IS ONZE RECLAAM. Op een kartonnetje gedrukt stond die leus vroeger in het uitstalraam van onze bakkerswinkel. Handel is handel, in brood dat leven doet, in dood die onder de aarde moet.'
 
Uit: Lijfsbehoud  
 
 
'In deze slaapzaal is er plaats voor tachtig bedden. In totaal zijn er vier van zulke zalen, verspreid over de bovenverdiepingen van de vier vleugels die samen het eigenlijke internaatsgebouw vormen. Op iedere slaapzaal vier rijen van twintig bedden, twee rijen tegen de buitenmuur, twee rijen met de ruggen tegen elkaar in het midden. Deze indeling is erg overzichtelijk, daardoor gemakkelijk te kontroleren. Achter de zaal voor de chambrettes is er een kleiner zaaltje voor w.c.'s en wasbekkens, ook weer gemakkelijk te overzien. Dat is voor hun erg belangrijk, weet ik. Kontrole is immers hoofdbestanddeel van hun dagelijkse werkzaamheden. Bespieden, betrappen, kleineren, angstaanjagen. Indien dat niet lukt moeten wij het toch nog ontgelden: bestraft worden voor niet begane overtredingen, uitgedaagd worden om hun van antwoord te dienen waardoor ze toch weer een reden hebben om te straffen. Repressie, in plaats van ontplooien. Wie het waagt om zich te verzetten is gebrandmerkt voor de rest van zijn verblijf, wordt dubbel in het oog gehouden, weet dat het geringste vergrijp voldoende is om zich de toorn van de in het zwarte geklede duivels op de hals te halen.
 
Uit: Duizend dagen regen  
 
 
Tijdens de nacht bestaat er echter een grotere kans om aan hun alziende ogen te ontsnappen. Daarom is deze chambrette zo belangrijk, betekent zij een adempauze, een rustplaats. Daarom ruk ik mijn gordijnen dicht als ik merk dat vreemde blikken proberen binnen te dringen. Ik ga op het bed liggen en sluit mijn ogen. Mijn zintuigen zijn gescherpt na twee maanden leven in open lucht. Ik hoor, ruik, voel de kilte om mij heen, weet dat ik dit jaar weer een deel van mezelf zal moeten opofferen, dat er ieder jaar minder en minder overblijft, dat er telkens opnieuw geprobeerd wordt om meer en grotere stukken van me af te scheuren. Op het einde zal ik volledig opgeslokt zijn. Niets zal mij dan nog overeind kunnen houden, mij in staat stellen weerstand te bieden, terug te bijten.'
 
Uit: Duizend dagen regen  
 
 
'Het staat hier in de krant van gisteren die een van de bewakers me bezorgde:
Het is nog altijd niet duidelijk of de brand die in de nacht van zondag op maandag het grootste gedeelte van het jongensinternaat verwoestte (?) een ongeval is dan wel misdadige opzet.'

'Maar een koning laat zich niet bevelen en ik heb Rolf die plaats in mijn kast gewezen waar ik de kaarsen bewaarde die Dumoulin me bezorgd had tijdens de grote stroomonderbreking. Ik beval hem de kaarsen - ik tel er negen - in een grote kring op de plankenvloer te zetten en aan te steken. Ook dit gebruik op Dertiendag, zo heb ik hem uitgelegd tijdens de rondedans die hij op mijn verzoek maakte, is bedoeld om de geesten van alle overlevenden met vuur te verjagen. Vuur werkt zuiverend en geeft, als het eenmaal de lucht gereinigd heeft, de kracht om daarna weer door te gaan.'

 
Uit: Dertienkoning  
 
 
1983 - ....
 
'Terwijl de meeste andere mensen bezig zijn echt te leven, vergooit hij zijn jaren aan obsessies en papieren illusies. Alles moet uit hemzelf komen, niemand die hem helpt. Hij is een soeverein met alleen zichzelf als onderdaan. Hij staat voor het blok: schrijver zijn of niet zijn.'

(Carel Peeters)
 
 
 
PERSONALIA
 
Woonplaats: B-3600 Genk
Geboorteplaats: Heusden (L)
Geboortedatum: 26 augustus 1953
Burgerlijke staat: gehuwd
Kinderen: 2
 
 
 
BEKRONINGEN
 
- 1990: Halewynprijs (oeuvreprijs)
- 1991: Mathias Kempprijs - Terug naar Törökbalint
- 2000: Jozef Michielsprijs - Thuiskomen
- 2003: Daan Inghelramprijs - Dicht bij God